Het geld van de toekomst/Conclusies: duurzaam geld

Uit Aardnoot
Versie door Martien (overleg | bijdragen) op 15 mrt 2009 om 15:01 (kader-330)
Ga naar: navigatie, zoeken

[[../Het bedrijfsleven en het milieu: vanuit het standpunt van het bedrijfsleven|Het bedrijfsleven en het milieu: vanuit het standpunt van het bedrijfsleven]]

[[../]] ({{{page}}})
Bernard Lietaer

[[../Hoofdstuk 9. Duurzame Voldoening|Hoofdstuk 9. Duurzame Voldoening]]

Het moge op het eerste gezicht vreemd lijken dat ondernemingen deze functie van het scheppen van een munteenheid als publiek goed op zich nemen. Maar het is ook nuttig dat we ons herinneren dat de zogenaamde nationale munteenheden in werkelijkheid een vorm van ondernemingsgeld zijn, uitgegeven door particuliere banken, zoals is uitgelegd in de Introductie en in hoofdstuk 2. Merk ook op dat de banken en de financiële dienstverleningsindustrie niet buiten het GRC proces worden gehouden: financiële instellingen zouden diensten kunnen verlenen met de Terra als nominale waarde, precies zoals ze nu doen voor elke rekening in vreemde valuta.

Historisch precedent voor ondernemingen om een internationaal raamwerk te scheppen (1367-1500)

Ten tijde van sterke fragmentatie in Noord-Europa kwamen kooplieden uit verschillende onafhankelijke steden (Bremen, Keulen, Hamburg, Brugge, de Baltische landen enzovoort) bij elkaar om hun eigen juridische raamwerk voor handel op te zetten (de Hanze), compleet met haar eigen munteenheid en zelfs haar eigen internationale gerechtshoven om over geschillen te beslissen. Dit vond geheel buiten de officiële politieke en regeringssystemen plaats. Het stelsel duurde langer dan honderd jaar, zes keer zo lang als het huidige experiment van zwevende wisselkoersen.

De Hanze werd in 1367 opgezet als een officiële internationale structuur, nadat meer dan een eeuw lang meer informele experimenten hadden plaatsgevonden. Het systeem was bijzonder succesvol bij het bereiken van zijn doelstellingen. Maar de kooplieden in elke haven besteedden evenveel energie aan het voorkomen dat andere kooplieden toegang tot het systeem zouden krijgen om op hun eigen markt te concurreren, als aan het uitbreiden van hun eigen overzeese markten. Het sloot ook bewust handelaren uit andere landen uit. Uiteindelijk viel het aan het einde van de 15e eeuw uit elkaar toen Nederlandse en Engelse handelaren, reders en vissersvloten – die oorspronkelijk buiten het systeem werden gehouden – dit monopolie met succes aantastten.

Als de weg van particulier initiatief wordt genomen om een bepaalde GRC te implementeren, zal het dus belangrijk zijn om vanaf het begin garanties te geven voor een echte open toegang tot de markt voor alle deelnemers aan de internationale handel, onafhankelijk van grootte en herkomst, teneinde dat gedeelte van de geschiedenis van de Hanze te vermijden.

Er bestaat zelfs een historisch precedent voor een door zakenmensen te nemen internationaal initiatief: het Hanzeverbond (1367–1500); zie kader.

Maar de tegenwoordige versie van zo’n functie zou heel anders zijn dan van de historische Hanze. Het zou meer wereldwijd dan regionaal moeten zijn, het zou meer een open systeem van publieke dienstverlening moeten zijn dan een kartel, en het zou huidige wettelijke en financiële concepten en communicatietechnologieën moeten gebruiken (bijvoorbeeld internet) om die functie te implementeren.

Waar het uiteindelijk op aan komt is de vraag of de kopstukken van de zakenwereld bereid zijn of in staat zijn de verantwoordelijkheid voor hervorming van het huidige monetaire stelsel op zich te nemen, door middel van een particulier initiatief dat kan helpen de zakenwereld waarlijk duurzaam te maken. Het Zweedse woord voor ‘business’ is Näring Liv (letterlijk ‘levensvoeding’). Een initiatief voor een Terra door een alliantie van ondernemingen zou één manier zijn om dit echt waar te maken. Het zou ook een zeer effectieve manier zijn voor zakenlieden om te ontkomen aan het voortdurende conflict tussen de prioriteiten van aandeelhouders en hun eigen persoonlijke zorgen voor duurzaamheid op de lange termijn, of die zorgen nu voortkomen uit openbare druk, persoonlijke ethiek of de toekomst van hun kleinkinderen.

‘Wij hebben de wereld niet gekregen van onze ouders, zij is door onze kinderen aan ons te leen gegeven.’

(Bord in de Zaal voor Biodiversiteit van het Museum voor Natuurlijke Historie in New York)

Sommige mensen zullen zich wellicht verbazen over het voorstel dat ik in dit hoofdstuk heb gedaan omdat dit voorstel geheel vóór internationale ondernemingen lijkt te zijn, in het bijzonder nadat ik in ‘Het Corporate Millennium’ (hoofdstuk 4) heb duidelijk gemaakt dat er enige risico’s zijn verbonden aan het scheppen van een nieuw de facto monopolie van munteenheden van particuliere ondernemingen. Mijn voorstel betreft echter niet het scheppen van zo’n monopolie. In plaats daarvan wordt een wereldwijde ondernemingsmunt aanbevolen tegelijkertijd met het invoeren van plaatselijke complementaire munteenheden voor sociale doeleinden (hoofdstuk 5 t/m 7). Bovendien ben ik ervan overtuigd dat we geen wereld van Duurzame Voldoening kunnen scheppen zonder de betrokkenheid van ondernemingen. Dit zijn immers organisaties die op dit moment de belangrijkste vormgevers van onze toekomst zijn, of we dat nu leuk vinden of niet.

Waar het hier om gaat is evenwicht. Dat evenwicht wordt niet bereikt als we de meest actieve componenten van onze samenleving buitensluiten. Hoe alle stukjes van de puzzel, inclusief de Global Reference Currency, op elkaar aansluiten om zo’n evenwicht dat leidt tot Duurzame Voldoening te bereiken, is het onderwerp van het volgende en van het laatste hoofdstuk.