Het geld van de toekomst/Japan

Uit Aardnoot
< Het geld van de toekomst
Versie door Martien (overleg | bijdragen) op 15 mrt 2009 om 12:50 (kader-226)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Europa

Het geld van de toekomst (225)
Bernard Lietaer

Het financieren van kleine ondernemingen

Toshiharu Kato, directeur van de Afdeling Dienstverlenende Bedrijfstakken van het Japanse ministerie voor Internationale Handel en Industrie (MITI)—het machtige coördinatiemechanisme tussen de regering en het bedrijfsleven in Japan—deed persoonlijk een driejarig onderzoek in de VS naar twee soorten hightechontwikkelingsmodellen: het ‘Route 128-model’ en het ‘Silicon Valley-model’. Het eerste is genoemd naar de ontwikkeling van hightechondernemingen rondom een kern van grote ondernemingen (bijvoorbeeld Raytheon en Hewlett Packard) en universiteiten (bijvoorbeeld MIT) in het gebied rond Boston; het tweede verwijst naar de snelle opkomst van kleine hightechcomputerondernemingen en ondernemingen voor ‘durfkapitaal’ ten zuidoosten van San Francisco bij de Universiteit van Stanford. Hij stelde vast dat het Silicon Valley-model, gebaseerd op de hoge contactdichtheid tussen de honderden kleine ondernemingen (zonder grote ondernemingen in het centrum) de golf van de toekomst voor Japan is. Indrukwekkender is nog dat hij zijn strategie voor regionale ontwikkeling tot de logische conclusie voortzette door een nieuw concept van regionale munteenheden te introduceren, dat hij ‘eco-geld’ noemde (zie kader).

Japans volgende ontwikkelingsmodel en ‘eco-geld’

(Uittreksel uit Memoranda van Toshiharu Kato, MITI)64

‘Op basis van het voorbeeld van Silicon Valley moet Japan actief verscheidenheid creëren in zijn verschillende regio’s, teneinde een nieuw sociaal-economisch systeem te bevorderen dat gebaseerd is op de plaatselijke gemeenschap. (…) Nu Japan verandert naar een informatiesamenleving moet het innovaties toepassen in zijn economie en gemeenschap, om de leidende rol te nemen als een samenleving die vooroploopt. Japan behoort een concreet actieplan te implementeren om de veranderingen door te voeren die nodig zijn om deel uit te kunnen maken van de volgende generatie van de informatiesamenleving. Dit omvat mede het coördineren van bedrijfsleven, overheid, onderwijs en gemeenschappen, teneinde als één organisatie samen te werken. Individuele regio’s zullen hun eigen unieke industriële groepen vormen, hetgeen leidt tot specifieke economische bases met een ondernemingsgezinde omgeving en creatieve gemeenschappen.

(…) Als we naar de wereld kijken door academische lenzen, geeft de moderne economische theorie ons geen kant-en-klare oplossingen. Het traditionele wereldbeeld van de economische theorie leidt de totale beweging van de economie af uit de eenvoudige optelling van alle elementen die daaraan deelnemen. Met dit wereldbeeld is het onmogelijk de veranderingen te analyseren en te begrijpen die verbonden zijn met de economische verschuivingen van de ene motor van de economie naar een andere motor.

(…) Het is de echte taak van een economische politiek om de motor van de economie in de kern van de economische activiteiten aan te passen en door deze inspanning de economie op het spoor te zetten van het oplossen van problemen. Om dit te doen moeten we niet alleen kijken naar de beslissingen die worden genomen door individuen en ondernemingen (die de samenstellende delen van de samenleving op macroniveau vormen), we moeten ook kijken naar hun interacties.

Dit nieuwe Japanse ontwikkelingsmodel is gebaseerd op regio’s en heeft de eigenschappen van een tweeledige structuur van regionale economie en gemeenschap.’65

Een van de belangrijkste gereedschappen om de dynamiek te scheppen voor het gelijktijdig activeren van een regionale economie en gemeenschap is het door Kato voorgestelde ‘eco-geld’.

‘Eco-geld is geld voor de 21e eeuw, dat gebruikt kan worden bij de ruil van gevarieerde en “zachte” vormen van informatie, bij onderwerpen als milieu, sociale voorzieningen, gemeenschapszin en cultuur. (…) Eco-geld wordt altijd gebruikt bij de directe ruil van voorwerpen en diensten, zodat het niet leidt tot een versnelling van de geldscheppende functies. Daardoor is er geen risico van inflatie, van het scheppen van een luchtbeleconomie of van het inkrimpen van de geldcirculatie na het barsten van de luchtbel. (…)

Mensen kunnen standaardgeld naast eco-geld gebruiken en efficiënt van het een of van het ander gebruikmaken om de voor hen meest geëigende levensstijl te scheppen. (…) Het uiteindelijke doel van het invoeren van eco-geld is het bevorderen van vertrouwen onder de mensen, zodat een gevoel van gemeenschapszin kan worden opgebouwd.’66

Na het begin met de vier oorspronkelijke pilotprojecten is het experiment nu uitgebreid tot tien verschillende implementatiemodellen. Deze variëren van een klein dorpje (Yamada in de prefectuur Toyama) tot een stad van 16.000 inwoners (Kuriyama op Hokkaido) en hele prefecturen (vergelijkbaar met een provincie, in het bijzonder Shizuoka, Chiba en Shiga). Sommige omvatten LETS-achtige munteenheden, andere Hureai Kippu (die in het volgende hoofdstuk worden beschreven) en weer andere integreren verschillende diensten in één enkel systeem van smartcards. Door eco-geld te gebruiken wordt een indrukwekkende lijst van 27 verschillende activiteiten gebundeld, waaronder sociale voorzieningen, opleiding, rampenpreventie, milieubescherming en diensten die leiden tot beter begrip van culturele verworvenheden, alsook een aantal ondernemingen die zich richten op de kwaliteit van het leven, zoals ondernemingen die natuurlijke voeding ontwikkelen voor kinderen met allergiën voor chemicaliën, zeep maken uit gerecyclede kookolie, en thuiszorg voor zieken en bejaarden.

Per oktober 1999 zijn er, naast de tien pilotprojecten, nog eens dertig projecten in een onderzoeksfase (het ontwerpen van de specificaties van hun eigen systeem terwijl ze ondertussen de resultaten van de tien pilotprojecten evalueren).

Deze projecten worden gecombineerd met het voor algemene toepassing geschikt maken van het gebruik van smartcards door het ministerie van Gezondheid en Sociale Voorzieningen. Een van de pilots van smartcards combineert al gegevens van de ziektekostenverzekering met eco-geld en de gewone nationale munteenheid die wordt gebruikt voor de dagelijkse boodschappen. Plannen voor een ‘Informatie-Communicatienetwerk voor de Volgende Generatie’ breiden dat concept uit naar het meenemen van gegevens over medische verzorging en allergieën, systemen voor de veiligheidstoestand tijdens natuurrampen, verschillende vergunningen, openbare identificatiemiddelen en internet, evenals fysiek winkelen, telefoonkaarten en kortingen voor interlokale telefoongesprekken, benzine en andere diensten die met korting kunnen worden verkregen, openbaar vervoer en diensten voor mensen die veel reizen.

Of al deze functies nu wel of niet op één smartcard komen, het belangrijkste punt blijft overeind: Japan is vastbesloten een leider te worden op het gebied van strategieën voor regionale ontwikkeling in het Informatietijdperk en gebruikt het toepasselijke gereedschap van complementaire munteenheden om dat te bereiken.

Sommige grote ondernemingen raken bij dit proces van eco-geld betrokken: Nippon Telegraph and Telephone (NTT) bijvoorbeeld ontwikkelt softwaresystemen binnen de context van zijn project ‘Informatienetwerk voor de Sociale Voorzieningen in het Dagelijks Leven’ (dit omvat stadsbestuur, plaatselijke ondernemingen en non-profitorganisaties, informatie op het gebied van gezondheidszorg en sociale voorzieningen, informatie voor beroepsopleiding en vrijwilligerswerk, enzovoort). Ook Oracle Japan heeft belangstelling getoond om hierin mee te doen.