Het geld van de toekomst/Het muntwezen ten tijde van Karel V

Uit Aardnoot
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Precedenten in het verleden

Het geld van de toekomst (434)
Bernard Lietaer

Centralisatieproces in Nederland

door Marcel van der Beek, curator van het Muntmuseum in Utrecht

In de eerste plaats waren munten onmisbaar voor de dagelijkse behoeften van de bevolking. De gewone man moest er zijn levensonderhoud mee kunnen betalen, en af en toe een grotere aanschaf mee kunnen doen. Daarnaast vervulden muntstukken een belangrijke rol in de groothandel, vooral bij de betaling van ingevoerde of uit te voeren goederen. Beide gebruikersgroepen hadden belang bij andere eigenschappen van het muntstuk.

Munten in de internationale handel

In de internationale handel waren munten vóór alles handelswaar, in de vorm van een handzame hoeveelheid edelmetaal waarvan het metaalgehalte bekend of te meten was. Dit maakte muntstukken een geschikt middel om andere handelsgoederen tegen te ruilen.

De waarde die in de internationale handel aan een bepaalde muntsoort werd toegekend, ontwikkelde zich op dezelfde wijze als de prijs die voor handelswaar werd geboden, geheel volgens het marktprincipe van vraag en aanbod. De overheid had hierop geen enkele invloed, want elke handelaar was vrij te bepalen welk aantal van een bepaalde soort muntstukken hij wilde ruilen tegen een partij goederen. Voor alles was de waarde van ieder muntstuk afhankelijk van de totale hoeveelheid edelmetaal die het bevatte en van de waarde die aan dit edelmetaal werd toegekend in het land van bestemming.

Munten in het dagelijks gebruik

Terwijl in het internationale handelscircuit het metaal en tevens het type van de munten bepalend was voor hun waarde, lag dit in het dagelijks leven anders. Het publiek nam muntstukken voor een bepaalde waarde omdat men wist dat men ze voor dezelfde waarde weer kon uitgeven; soms ook omdat het de enige muntstukken waren die het aangeboden kreeg. Het ging hen enkel om de nominale stukwaarde van de munten. Men hield nauwelijks in het oog of de waarde die men aan een munt toekende wel door zijn metaalinhoud werd gerechtvaardigd. Voor de laagste waarden van de muntreeks was dit trouwens ook niet het geval, en met opzet. Deze kleinste muntstukken waren voor de bevolking onmisbaar in het dagelijks leven. Daarom moest worden voorkomen dat ze voor andere doeleinden werden gebruikt, zoals voor betalingen naar het buitenland of als grondstof voor edelsmeden, en zo uit de omloop verdwenen. Dit werd bereikt door ze een hogere waarde in het betalingsverkeer toe te kennen dan hun zilverwaarde bedroeg. Zo was het altijd voordeliger om ze als munt te gebruiken dan als brokje zilver. Dit politieke motief om de kleinste munten ‘onderwaardig’ te maken kwam op gelukkige wijze overeen met een meer praktische reden. De productie van een som geld in kleine muntstukken kostte immers meer arbeid, en dus geld, dan die van dezelfde som in grotere munten.